Inleiding

Het gebruik van genotsmiddelen om te ontspannen, te vergeten, te durven en te dromen is een existentiële behoefte van mensen. Wat iemand gebruikt, alcohol, cannabis, xtc, cocaïne, heroïne, paddo’s, speed of nicotine, hangt samen met de subcultuur waar hij of zij bij hoort. Bovendien is de populariteit van middelen onderhevig aan modes. Zo is bijvoorbeeld xtc over haar hoogtepunt heen en is cocaïne aan een hernieuwde opmars bezig. Maar waarom kan een meerderheid het gebruik van genotsmiddelen zelf reguleren en zonder veel problemen ervan genieten en waarom blijven sommigen eraan hangen? En hoe komt het dat de media en de politiek individueel gebruik negeren en/of gedogen maar dat bij collectieve toename van het gebruik van middelen de morele verontwaardiging de boventoon gaat vormen, als er problematische koppelingen gelegd kunnen worden tussen volksgezondheid en openbare orde? Illustratief voor dit laatste is de enorme aandacht in de media de laatste jaren voor het excessieve alcoholgebruik van jongeren, die daarmee volgens velen niet alleen hun eigen hersenen de vernieling in drinken, maar in de weekends ook straat en weg onveilig maken voor oppassende en vroeg naar bed willende burgers.
Alcohol en nicotine zijn met stip de meest gebruikte en voor het leeuwendeel van de Nederlanders de enige van voornoemde genotmiddelen. Circa 85 procent van de Nederlanders van 16 jaar en ouder drinkt regelmatig een glas alcohol en 24 procent rookt. De populariteit van alcohol is ook terug te zien in de hulpvraag bij het Consultatiebureau voor Alcohol en Drugs. Ongeveer de helft van de hulpvragers kampt met alcoholproblematiek.
Waarom raakt de een wel verslaafd en de ander niet? En hoe komt het dat het de ene verslaafde wel lukt om te ontwennen en kan de ander, ondanks verschillende pogingen om af te kicken, maar niet van zijn verslaving afkomen? Welke rol spelen aanleg en omgeving hierbij? Sinds het menselijk genoom in kaart is gebracht, is de populairste vraag bij elke ziekte, aandoening of psychiatrische stoornis: welk gen of welke genen zijn hiervoor verantwoordelijk? En de volgende vraag is wat de doorslag geeft: de genen of de omgeving? Of is het een combinatie en zo ja wat telt zwaarder? Ook bij verslaving wordt die vraag gesteld. Het antwoord op die vraag is van belang voor de manier waarop wij omgaan met verslaafden en hun verslaving. Want de manier waarop wij aankijken tegen verslaving, bepaalt mede onze blik op de persoon die verslaafd is en de behandeling van hem en zijn verslaving. (De behandeling tweeledig opgevat: de behandeling door behandelaars én de behandeling door de maatschappij.)
In de geschiedenis van de verslavingszorg is op heel verschillende manieren antwoord gegeven op deze vraag, met eb- en vloedbewegingen in de nadruk op aanleg en omgeving of biologie en psychologie. De aantrekkingskracht van genen en hersenstofjes lijkt het op dit moment te winnen van leefgewoonten of omgevingsfactoren, onder andere dankzij het voortschrijdende wetenschappelijke onderzoek en vooral de nieuwe, technische mogelijkheden om levende, actieve hersenen te bekijken. Er lijkt geleidelijk aan consensus te ontstaan over de voordelen van de herkenning en erkenning van verslaving als een behandelbare chronische ziekte in plaats van een wilszwakte waarop iemand aanspreekbaar is. Zonder de stigmatiserende bestraffende blik of opgeheven vinger om de wilsonbekwame verslaafde in het gareel te krijgen, lijken verslaafden en hulpverleners alleen maar gebaat bij een op het eerste gezicht maatschappelijk onbeladen ziektemodel met op individuele maat toegesneden behandeltrajecten. Toch roept het bestempelen van verslaving als een ziekte nieuwe vragen op. Met wat voor soort ziekte hebben we te maken? Is het kortdurend, chronisch of terugkerend? Is het een genetische of hersenziekte of beide? Is het een behandelbare of onbehandelbare aandoening? Lijkt het op diabetes of toch meer op depressie? In Chemie van verslaving zoeken we naar antwoorden op deze vragen.
Ook is de vraag gerechtvaardigd wat hulpverleners, verslaafden en hun familie nu eigenlijk doen en kunnen met de hernieuwde aandacht voor biologische verklaringen en medische benaderingen van verslaving. Zij werken al jaren intensief samen in zelfhulpgroepen met het idee dat er sprake is van een individuele gevoeligheid voor verslaving en dat verslaving iets is wat je met je meedraagt en waar je verduveld lastig vanaf komt. Alleen legden ze daarbij niet directe associaties met processen in de hersenen. Wat verandert de nieuwe kennis aan hun huidige perspectief op verslaving? Gaan verslaafden zich voelen en gedragen als chronisch zieken? En wat verwachten zij van de wetenschappelijke belofte dat medicijnen op persoonlijke maat een grote rol gaan spelen bij het onder controle houden van de verslaving?
En is deze belofte en het concept van verslaving als ziekte ook al doorgedrongen tot de samenleving in bredere zin? Of ziet de maatschappij verslaafden nog steeds als losers en zwakkelingen? Gaan verslaafden er eigenlijk op vooruit als ze als zieken worden behandeld? Want ook dan kan het beeld uitgroeien tot een stigma, en zich zelfs uitstrekken tot de kinderen van alcoholisten en andere verslaafden. Te beginnen met een aantekening in het Elektronisch Kind Dossier?
Als verslaving zo biologisch bepaald is, zal het in de (nabije) toekomst dan mogelijk zijn mensen, kinderen (baby’s) vroegtijdig te testen op hun genetische aanleg voor verslaving (met een genetische test of met biomarkers)? En zo ja, welke rol kunnen die testen spelen bij wat prominente beleidsmakers in verslavingsland bestempelen als kernpunt van de toekomstige verslavingszorg: het opsporen en begeleiden van kwetsbare individuen en/of groepen in een zo vroeg mogelijke fase van het leven? Welke gevolgen kan dit hebben voor het preventiebeleid dat in toenemende mate gericht is op volksgezondheid? Ook daarover gaat Chemie van verslaving.
De ‘neurobiologische lobby’ is sterk, maar sceptici zijn er ook. Een van de bekendste is de Engelse arts Theodor Dalrymple, hij beschouwt verslaving vooral als een moreel probleem. In Nederland ziet de sociaal psycholoog en verslavingsdeskundige Peter Cohen verslaving helemaal niet als een probleem. Mensen kiezen zelf voor intensief gebruik van drugs of alcohol en houden er weer mee op als ze er last van ondervinden. Maar Cohen voelt zich als een roepende in de woestijn; het zal niet meehelpen dat hij de verslavingszorg het liefst in zijn geheel zou willen opheffen.
Er zijn ook mensen die vooral wat voorzichtiger zijn over de interpretatie van het hersenonderzoek. Dat er iets gebeurt in de hersenen, daarover is men het eens. Maar weten we eigenlijk wel wat we precies zien met de nieuwe beeldvormende technieken? En die eventuele veranderingen in de hersenen, zijn die blijvend? En welke informatie kunnen we nu eigenlijk halen uit de genen? En zal het probleem werkelijk voor een groot deel kunnen worden opgelost met medicatie? Het zijn vragen die in dit boek op diverse manieren beantwoord worden.

Verslaving is een actueel onderwerp geworden. Het ene congres na het andere symposium wordt georganiseerd. Vanaf 2006 bestaat er een jaarlijks terugkerende Dag van de verslaving, en als tegenhanger heeft een aantal christelijke organisaties voor verslavingszorg en -preventie zelfs een jaarlijkse hele Week van de verslaving in het leven geroepen. In 2007 was het thema van de week bijzonder actueel: ‘Dat doet mijn kind niet, toch?’
We kunnen geen krant meer openslaan of de koppen over comazuipende kinderen en de vernietiging van hun hersenen en daarmee de teloorgang van een hele nieuwe generatie (en daarmee de Nederlandse samenleving?) springen ons tegemoet. Maar niet alleen de Nederlandse jeugd drinkt steeds vroeger en steeds meer, ook de oudere blijkt ‘geen maat te kunnen houden’ en richt zich steeds vaker tot de verslavingszorg met hun problematisch alcoholgebruik. Het ‘spook van de verslaving’, voor de een heeft het vooral de vorm van alcoholverslaving, de ander ziet het ook in de gamende en internettende jeugd, lijkt steeds grotere vormen aan te nemen. Wat is er aan de hand? Zijn we met zijn allen plotseling meer vatbaar en kwetsbaarder geworden voor alcohol, drugs en andere verslavende middelen (en activiteiten, volgens sommigen) of spelen er ook nog andere factoren een rol?
Tegenwoordig wordt het begrip verslaving gebruikt voor talloze gedragingen, zoals gokken, winkelen, kopen, gamen, surfen op internet, seks, eten. Sommigen roepen bloedserieus: ‘Ik ben helemaal verslaafd aan drop’, terwijl jezelf even flink toespreken en een hoge bloeddruk waarschijnlijk genoeg zijn om ervanaf te blijven. In Chemie van verslaving gaan we daarin niet mee. Hier gaat het vooral om alcohol- en drugsverslaving (cannabis, cocaïne, heroïne, xtc). Er is een goede reden ons daartoe te beperken. Niet alleen vindt op deze gebieden momenteel het meeste genetische en neurobiologische onderzoek plaats, maar deze vormen van verslaving zijn ook het meest verantwoord te vergelijken als we aanleg en omgeving, en biologie en psychologie op evenwichtige wijze aan bod willen laten komen.
‘Van oudsher’ krijgen alcohol- en drugsverslaving ook de meeste aandacht van de verslavingszorg, omdat ze het meest ontwrichtend werken voor gebruikers zelf en hun omgeving en de maatschappij. Nicotine werd tot voor kort niet als belastend gezien voor anderen dan de nicotineverslaafde zelf (gezondheidsklachten, slechte conditie). Met het verbannen van de sigaret uit het openbare leven lijkt daar verandering in te zijn gekomen. Maar vooral omdat nicotine de meest voorkomende verslaving is en omdat het onderzoek ernaar vaak verhelderende inzichten oplevert voor de oorzaak en de behandeling van andere verslavingen, speelt de sigaret in Chemie van verslaving ook een rol. Sommigen in dit boek vragen zich zelfs af of het niet tijd wordt dat de verslavingszorg zich ook gaat richten op de grote groep wanhopige nicotine-recidivisten.

In Chemie van verslaving vertellen wetenschappers, artsen, hulpverleners en (ex-)verslaafden over de nieuwste wetenschappelijke inzichten, hoe die zijn doorgedrongen tot de verslavingszorg en wat ze betekenen voor het leven, het zelfbeeld en de behandeling van verslaafden.
Het boek wordt ingeleid door een algemeen historische inleiding over verslaving en het wordt afgesloten met een epiloog waarin toekomstscenario’s worden geschetst, mede op basis van de bevindingen in het boek.

Met dank aan:

prof. dr. Wim van den Brink, hoogleraar Klinische Epidemiologie op het gebied van de Verslavingszorg aan het AMC, directeur Amsterdam Institute for Addiction Research (AIAR);
dr. Peter Cohen, sociaal psycholoog, verbonden aan Centrum voor Drugsonderzoek (CEDRO) van de Universiteit van Amsterdam;
dr. Martine F. Delfos, biopsycholoog, oprichter van Psychologisch Instituut voor Consultatie, Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek (PICOWO);
Hans Dupont, Unitmanager Verslavingspreventie Mondriaan Zorggroep Heerlen;
dr. Peter J. Geerlings, psychiater, tot 2004 eerste geneeskundige Jellinek Kliniek;
dr. Gerry Jager, neuropsycholoog, werkzaam bij UMC Utrecht;
Geurt van der Glind, psychiatrisch verpleegkundige, wetenschappelijk medewerker Trimbos Instituut;
Theo Hoppenbrouwers, directeur Zorgverzekeraars Nederland;
Cisca Joldersma, CDA Tweede Kamerlid, o.a. woordvoerder verslavingszorg;
prof. dr. Cor de Jong, hoogleraar Verslaving en verslavingszorg aan de Radboud Universiteit, verslavingsarts bij Novadic-Kentron en directeur van het Nijmegen Institute for Scientist Practitioners in Addiction (NISPA);
prof. Charlie Kaplan, hoogleraar Sociologie aan de University of Houston en de Universiteit Maastricht;
prof. dr. Ronald Knibbe, hoogleraar Sociologie Universiteit Maastricht;
August de Loor, streetcornerwerker, oprichter van de ‘junkiebond’ MDHG en van de Stichting Adviesbureau Drugs;
Prof. dr. Walter Matthys, bijzonder hoogleraar pedagogiek (UU) en kinder- en jeugdpsychiater UMCU;
prof. dr. Jim van Os, hoogleraar Psychiatrie aan de Universiteit van Maastricht;
Aafke van Rhijn, senior GVO-functionaris beleidsadvisering verslavingsbeleid, GGD Hollands Midden;
dr. H. Roozen, psycholoog, werkzaam bij Bouman GGZ;
prof. dr. Ton Schoffelmeer, hoogleraar Psychofarmacologie aan het VUmc;
dr. Rob Stigter, psychiater, directeur zorg Centrum Maliebaan;
Dick Trubendorffer, oprichter en directeur van particuliere kliniek CrisisCare;
dr. Jacqueline Vink, verbonden aan de afdeling Biologische Psychologie van de VU;
prof. dr. Reinout Wiers, bijzonder hoogleraar Experimentele psychologie aan de Radboud Universiteit;
dr. Gonneke Willemsen, verbonden aan de afdeling Biologische Psychologie van de VU. Beleidsmedewerkers van het ministerie van VWS.
De verslaafden / ex-verslaafden / intensief gebruikers / verslavingsgevoeligen of junks (waar de voorkeur naar uitgaat): Arjen, Alex, Charlotte, Fedde, Gerda, Helen, Peter en Victor.
Met speciale dank aan de AA-groep Amsterdam-noord.


Chemie van verslaving
A.Krabben, T.Pieters, S.Snelders
Verschenen: mei 2008
isbn 9789085620440